What care I

’s Morgens scan ik een paar reacties op Trump.

Mooi hoor, over Maslow (door Bruce Kasanoff: People want to provide for their basic needs, not debate whether Policy A is better than Policy B.), over Quiet Egos (door Erika Armstrong: Just recently, our grandmothers earned the right to vote.), hoe komen die mensen er toch allemaal op.

De hele dag schrijf ik offertes, de leukste, en toch ben ik hol. Dan lees ik je tweet: From the break of day till sunset glow, I toil.

I dig my well, I plow my field, and earn my food and drink. What care I who rules the land if I am left in peace?

Sai Weng op z’n akkertje, al 4000 jaren, sunset glow, hij leunt op de spade. Maar ik zie het wel; hij bijt op z’n lip.

Gezakt

De eerste keer reed ik foutloos. Geen ingreep, goede sfeer. Ik brak de pijl. Te nonchalant. De tweede keer was ik zo zenuwachtig dat ik ‘s morgens niet meer wist naar welke kant de kraan open en dicht ging. Niets technisch, gewoon de waterkraan, ik was nog nooit ergens voor gezakt. Ik dacht de woorden ‘nederlaag’ en ‘onverdraaglijk’. De derde keer mocht ik afrijden op een versneld vastgestelde datum. Ik moest wel, het contract bij mijn yuppenwerkgever was inmiddels verlengd op voorwaarde dat ik dat rijbewijs zou halen.

De datum werd 21 december. Om 07.00 uur. Ik had nog nooit in het donker gereden. Prompt sneeuwde het de lange nacht van 20 op 21 december. ‘s Morgens vroor het een graad of vier. Ik zakte bij de eerste bocht, waar ik een fietser zou hebben aangereden als de examinator ons niet allemaal had gered. Een fietser zonder licht en met de pet over de ogen. Had ik toen maar geweten dat in elk goed kort verhaal een fietser voorkomt, nog wel eentje die wegrijdt en niet dood op straat valt. Dan had ik een leukere dag gehad.

Tachtig

De vierde keer rijd ik af bij daglicht en met een examinator voor speciale gevallen. Hij loodst ons naar een rustige buurt. Afgelegen straten, ik-kan-het-ik-kan-het, een enkele verdwaalde vrachtwagen. Ineens schuift de vrachtwagen vóór ons schuin over straat. Het ziet er anders uit dan rijden, de vrachtwagen schraapt, draait. Hij draait klem tussen geparkeerde auto’s en een paaltje op een vluchtheuvel. Krakende herrie. Ik zwenk er in een impuls omheen, ontsnap over de linker weghelft, belachelijk: zo’n streek van de kosmos, hoe kan ik dan ooit dat rijbewijs halen. Ik zeg nog: “Dit verzin je toch niet?“, maar de man naast me is lijkbleek. Ik ben blij dat ik tachtig lessen heb gehad en ons veilig naar het kantoor terugrijd.

Voorstelling

Na afloop van de voorstelling springt het jongetje op uit de warme kriebelstoel. Hij zag net de eerste voorstelling van zijn leven. Dans. Een lange, nette dans. Maar al zijn klasgenootjes blijven zitten en beginnen te klappen. En zijn juf, naast hem, ook. De mensen in de zaal klappen een enorm applaus bij elkaar. De dansers rennen het toneel weer op, hand-in-hand, ze lachen en buigen. “Wat!”, roept het jongetje, “Zijn het echte mensen?”

Het is een kwestie van tijd… Dan zullen wij fluisteren: “Oh, ik dacht dat het echte mensen waren.”

Kreupel

Ik zag eens een man die kon staan en lopen. Als je tot de bevoorrechten behoort, denk je zelf ook dat je kunt staan en lopen, tot je zo’n man ziet. Het is je meteen duidelijk dat de essentie van het bewegende lichaam je tot nu toe is ontgaan. De man die ik zag, droeg een zwartrode, asymmetrische kimono – misschien iets boeddhistisch – en hij liep een paar passen een boekwinkel in, aan de Warmoesstraat. Hij was één stabiel en stralend staande mens. De winkel heette Himalaya. Je kon er ook zitten en theedrinken, dus ik moest helemaal opstaan, me tussen tafel en stoel uit wringen, met jassengedoe en op hoge hakken. O, al die beweging. Het was een vlucht, kreupel en onwillig, ik had beter kunnen vragen wie hij was.

Geschreven

Vandaag was ik in Nijmegen voor een vergadering. Het gaat dus goed met mij. Op het bureau van de gastheer lag een vaktijdschrift. Ik sloeg het open en las wat op de vrijvallende bladzijde. Scharrelend naar toeval. Er stond een titel die me aansprak: “Over Pioniers en Meesterschap”. Daaronder stond mijn naam, geen andere naam. Ik had het artikel geschreven. Ik vroeg de gastheer: “Heb ik dat geschreven?” Hij dacht van wel. Ik kon het me niet herinneren.

Er schoot mij op dat moment iets heel anders te binnen, een voorval misschien uit het jaar dat ik dat vergeten artikel schreef. Ik stond voor de oude leraar, hij zat op een barkruk op het podium. In Amsterdam had hij Nederlands gesproken, maar hier in Lier (“nabij Antwerpen”) sprak hij een soort Vlaams. Op zondagavond waren de lessen begonnen, op woensdagochtend verstond ik het dialect. Ik verstond bijvoorbeeld dat hij een medium kende in Zeeland en dat hij iedereen aanraadde haar te consulteren. Dat begreep ik. Nu vroeg ik hem of hij mij haar telefoonnummer kon geven. Mailadressen bestonden nog niet. Hij zat een tijdje roerloos op zijn kruk en zei toen: “Ja.” Ik was blij. De volgende dag stapte ik ’s middags opnieuw het podium op en vroeg hem of hij misschien dat telefoonnummer al voor mij had. Hij zei: “Ja, zeker.” Hij bleef op de kruk zitten. Oud, en alweer een dag ouder, begreep hij mij wel? Dat ik dat medium wilde bellen? Of speelde hier een Nederlands-Vlaamse kloof? Ik legde uit dat ik dan de volgende dag echt graag dat nummer zou willen krijgen. Vrijdagmiddag was de laatste les. Ik stond weer voor de leraar. “Jij wil dat nummer,” zei hij. Ik knikte. Hij maakte nergens aanstalten toe. Wat kon ik zeggen? Was het een test? Hij glimlachte en noemde het nummer uit zijn hoofd. Ik moest op zoek naar pen en papier. Beschaamd, wijzer.

Eerste scherm

All art is unstable. Is dit genoeg? Ja, de zoekmachine levert je af waar je moet zijn.

Eerste scherm. In Groningen kopen we Black Star. Wie deze zin nu onder ogen krijgt, begrijpt ‘m.  Wie het nu zou begrijpen, maar de zin pas leest over tien jaar, begrijpt er dan – bij welzijn – ook iets van. Een ‘iets’ doorspekt met eigen herinnering, een eigen regenachtige dag, een eigen meisje bij de garderobe. De rest klikt ‘Groningen’ plus ‘Black Star‘ aan in de open bron. In Daresbury kocht ik een ansichtkaart van The Pool of Tears. Ik zeg er eerlijk bij dat dat 25 jaar geleden is. Ik verstuur die kaart niet, te droevig. Arts & Lies kreeg ik cadeau, in Londen, ergens in de nabije toekomst.

All art is unstable. Its meaning is not necessarily that implied by the author. There is no authoritative voice. There are only multiple readings.

Veldpost

November 2012 kreeg ik veldpost. Het was vrijdagmiddag. Daarover probeer ik nu te schrijven, maar mijn jongste dochter is het er niet mee eens. Ze leest me keihard voor over Boudicca, legeraanvoerder bij de Britten. Een soort Beyonce. Who run the world? Nog voordat ik die vrijdag mijn natte handschoenen uit had, zag ik de envelop liggen. Heel precies in het midden van de eettafel. Zwart-rode kalligrafie, ferme kapitalen, een brief die zonder omhaal afgeleverd had kunnen worden bij de tempel van Tianhou.

“Je hebt post,” zegt mijn man. “Rare post,” roept mijn jongste vanaf de bank. “Het is veldpost,” zeg ik. Meteen stuiven mijn dochters de eetkamer in. ‘Veldpost’ blijkt een toverwoord; iPhone en iPad blijven op de bank achter. De oudste, net 12 toen, vraagt: “Wat heeft dát te betekenen?” Ze grist de envelop van tafel, ik zie nog net dat er werkelijk ‘veldpost’ op staat. Mooi. De jongste (9) springt op mijn rug en smeekt me te vertellen van wie, van wie. “Veldpost komt van A.L. Snijders,” zeg ik, “Het is een brief.” Ze laat me los, kijkt me verward aan. Beduusd zegt ze: “Ik wist niet dat Snijders een Chinees was.”

Hoe bemachtig je dat boekje ‘Kies er eentje uit de kring’?

Kies er eentje uit de kring kun je bestellen bij AFdH Uitgevers.
De boekpresentatie is een besloten feestje, in het piepkleine Torpedo Theater. Dat let je natuurlijk niet het glas te heffen zodra je het boekje  in huis hebt.

Wat gaat dat boekje over?
Wieke Drieboog deed research naar de samenloop van omstandigheden, de kleine ruimte waarin we leven. Ze beschrijft wat ze meemaakt in de tram en op de markt, wat ze drinkt in het café en wat ze tegenkomt in het keukenkastje op haar logeeradres. Lezend en herlezend stel je vast dat de 19 verhalen uit Kies er eentje uit de kring een onderling verband hebben, al kun je niet zeggen hoe dat precies zit. 

Wat is er aan de hand?
Ik schreef een boekje, een Ruzzle van 19 zkv’s. Het is
vormgegeven door Martien Frijns, met illustraties van Jan Jutte.
Op de website van de J.M.A. Biesheuvelprijs verscheen zkv ‘Kip‘ als voorpublicatie.
Vanavond start De Week van het Korte Verhaal en in die week verschijnt dan ook het boekje. Zondag heb ik voor het eerst zelf een exemplaar in handen. Dan weet ik of dit allemaal echt gebeurt.

 

 

Knock-out

Gisterenmiddag bood ik € 255.600 voor een appartement. ‘s Avonds is het verkocht, aan een ander, voor € 298.000. Daar zit een lang, wurgend verhaal in, met 12 personages, ontgoochelde makelaars en rijke lui zonder kop. Misschien één stuk gespuis. Het appartement ernaast was ook te koop. Het heeft dezelfde indeling, dezelfde plafondplaten, kale vloer. De bewoners van twee hoog hadden een briefje opgehangen in het trappenhuis. Handgeschreven: zoek je moeder op een anderzolder. Cryptisch. Ik ben een Amsterdamse, ik vermoed dat deze buren zijn getraumatiseerd door studenten. Ik heb op die woning geen bod uitgebracht. Iemand anders wel: verkocht voor € 315.000. BAM!

Naschrift, rondschrift.
Mijn tafelheer zegt: “Je blijft er wel luchtig onder.” Hij weet hoe klem ik zit. We dineren bij Dwaze Zaken. Het nieuws rondom de appartementen krijg ik in etappes binnen via m’n mobiel. “Het is een knock-out,” zeg ik, “Ik las in de krant dat dat de essentie is van een kort verhaal. Daar denk ik aan.” Dus ik zoek dat zinnetje net op, over een knock-out in de eerste ronde. En ik zie dat Rob van Essen het schreef, echt hè, de schrijver van ‘Hier wonen ook mensen’.