Rusland

Ik lees de Volkskrant Nieuwsbrief. Elke ochtend vind ik de nieuwsbrief onder het wit-rode envelopje op mijn telefoonscherm. Met een lange, volgerikketikte onderwerpregel. Op 30 december 2016: ‘Voorzitter Raad voor Rechtspraak mild over Wilders en oudste coffeeshop Amsterdam verdwijnt’. Alles verdwijnt maar. Ik veeg over de rubrieken. Terwijl u sliep – Vandaag in het nieuws – Aanraders van de redactie. Snel langs Wilders. De brief meldt niets over welke coffeeshop dan ook. De kop van het laatste artikel is:

‘Rusland sluit

Engelstalige school als

reactie op Amerikaanse

sancties.’

What’s on a reporters mind?

Ik check het net toch maar even. Vandaag geopend, staat er op internet. Ik zou zeggen: vandaag open. Rusland is dus hoe dan ook open, niet gesloten. Coffeeshop Rusland opened nearly 40 years ago, in 1975 on the 30th of April and was the first coffeeshop to become legal in the Netherlands. 35 jaar geleden dacht ik anders dat het nerinkje vooroorlogs was. Slecht geobserveerd. Ik was jong en niet zo helder.

Hierover

In Arnhem staat een tafeltje en daar zaten we aan – three days in a row – toen ik sneeuw voelde vallen, vanuit m’n breed uitgewaaierde hoofd, recht omlaag m’n lichaam in, zacht en fris. Mijn eigen lichaam. Het sneeuwde zo gestaag. Ik zei: “Ik voel iets- iets- ” Je zweeg, want ik zocht nog naar woorden. Ik vroeg: “Weet jij niet wat het is? Het is geen verliefdheid, niet zo hyper. Het gaat wel hierover, over ons, over nu, maar – begrijp me niet verkeerd – ook over dit tafeltje, die kringen, het licht… denk ik. Dit brood. Wacht even, ik heb het bijna.” Je smeerde een stokbroodje. Je tilt je ene schouder hoog op, als je een broodje smeert. Het gevoel was nog steeds aan de gang. Niet precies blijdschap, niet precies een goed boek. Te spicy voor dankbaarheid. Ik verheugde me, maar nergens op. Het was een richtingloos verheugen. Ineens wist ik het. Het bleef toen ik m’n stoel verschoof. Het tafeltje wiebelde. Ik at een stukje brood met aioli en dronk voorzichtig van de wijn. “Weet je het al?” vroeg je. Ik zei: “Het is geluk. En het gaat niet weg ook.”

Reclame

Dit viel mijn dochter op: als in een reclame een zak chips wordt geopend, zit de zak altijd nokkievol. Chips tot aan de rand. En op het Spangalis hebben alle leerlingen een kluisje op ooghoogte. Ik ben in het echt op een maandagavond in een goed bezocht jazzcafé, waar niemand op een mobieltje kijkt. Te mooi. Check – van de negentig gasten, niemand. Er dreint wel een meisjesstem boven het geroezemoes uit, dwars door de jazz. Een Amerikaanse. Het meisje zit schuin achter je, met haar rug naar het podium. Ze draagt zo’n zwart kanten hemdje. De pianist zet extra aan, overstemt haar. Spierkracht zat. Zijn onderarm is abstract breed, opgebouwd uit rechthoeken, een stapel langs elkaar schuivende boeken. Hij heeft een raadselachtige tattoo:

100 % AGAVE

Het is een raadsel uit de pure werkelijkheid, met lockers op de onderste laag.

Nis

Hier ligt begraven Lysbyet Connegracht. Naast haar grafsteen staat een design driezitter. De kerk heeft een nieuw hier en nu, geen hoekje bleef behouden. Droge witte wijn erbij. Kunst. Wat Lysbyet kende raakte ontheiligd. Ik bedenk dit: ‘en’, het morfeem, komt zo vaak voor dat ik er een nieuwe letter voor wil gebruiken. Een symbool voor ‘en’. Ik ben geïnspireerd door de bloembollen gedoopt in kaarsvet, bestrooid met glitters, bordeaux en zilverschitter, geplant op het altaartje in de volgende nis – elke bol van bordeaux en zilverschitter draagt zo’n lichtgroene klepel waarin een hyacint verborgen zit, alles kan anders, niets is af. Wat kan ik doen? Ik heb alleen de taal.

Een paar straten verderop stroomt de Jeker, over nog geen vijf Nederlandse kilometers. Er is een vistrap gebouwd ín de rivier. De rivier is nu een trap. Over de trap komen vissen van heinde en ver door Maastricht. Het gaat om de driedoornige stekelbaars, de riviergondel, de blankvoorn en de karper. Men hoopt dat er meer soorten volgen: de alver en kopvoorn, de serpeling, het bermpje, de barbeel. Misschien ook sneep, baars, rietvoorn en winde.

Toen ik weg moest uit mijn huis, geen huis had, geen eigen kussen om op te slapen, en de kinderen bleven in het huis en iedereen ging door met z’n leven en noemde het huis gewoon thuis alsof er niets was veranderd, toen had ik de taal. ‘s Nachts staarde ik recht voor me uit. Ik noemde het huis ‘de Jekerstraat’. Het woord ‘thuis’ gebruikte ik nooit meer.

Judas

Zie je wel, ik heb al een boek dat Judas heet. Cadeau gekregen met de beste aanbevelingen. Een Judas waarin Oz op openhartige en moedige wijze het thema verraad verweeft. Nog ongelezen. Ik heb trouwens ook al een boek over Holleeder. Toen dat boek in de maak was, ging ik een paar keer mee naar de bunker om een zitting bij te wonen en woorden te vinden voor de charme van het monster. Voor de ingang van de bunker stond steevast een rij belangstellenden. Het vroor. Er werd gegroet, gelachen, gebeld, vaak op horloges gekeken. Mannen zonder overjas stampvoetten tegen de kou. Wie te laat aansloot, miste een hele procesdag en wie weet welk nieuws. Poortjes, bliepjes, tassencontrole, fouillerende dienders. Tot slot de dubbele schuifdeuren. Bij mijn eerste bezoek overviel me de noodgebouwbeige leegte. Het was wel verwarmd. Toch; een ruimte waarin het niet gaat gebeuren herken je meteen. Het licht zoemt, je blik dwaalt, er is niets dat diepgang afdwingt. Er waren drie lokaaltjes ingericht: een soort etalage, een tribune en een kantine. In de kantine stond één koffieautomaat.

Holleeder was niet onder de indruk, want waarvan? Gedoemd ja, maar onverschillig en tot aan de huig verveeld door de snotjongens van het gerecht, met hun dunne halsjes, een partij die het moet hebben van principes. Hij rekte zich eens uit. Tussen het lokaal waarin het proces werd opgevoerd en de tribune, zat een glazen wand. Ik herinner me niet of het geluid werd versterkt, hoe hoorden we wat er gezegd werd? Het was in ieder geval zin na zin geneuzel van mannen die uit elkaars buurt willen blijven. Naast mij en voor mij zaten de mensen uren met hun blanco notitieblok op schoot. De feiten waren al bij hun redacties bekend. Verder viel er niets te verslaan. Het publiek zocht een kans om ai en ohh roepen, ad bestias, maar er viel niets te roepen. ‘s Morgens glimlachte Holleeder, ‘s middags gaapte hij. En de andere dag weer eens andersom.

In de pauzes haalden we allemaal koffie uit die éne automaat. Ik had gedacht dat de advocaten voorrang zouden nemen, maar dat deden ze niet. De voorrang was voor de journalisten. Misschien omdat zij die dagen met de leegste handen stonden.

What care I

’s Morgens scan ik een paar reacties op Trump.

Mooi hoor, over Maslow (door Bruce Kasanoff: People want to provide for their basic needs, not debate whether Policy A is better than Policy B.), over Quiet Egos (door Erika Armstrong: Just recently, our grandmothers earned the right to vote.), hoe komen die mensen er toch allemaal op.

De hele dag schrijf ik offertes, de leukste, en toch ben ik hol. Dan lees ik je tweet: From the break of day till sunset glow, I toil.

I dig my well, I plow my field, and earn my food and drink. What care I who rules the land if I am left in peace?

Sai Weng op z’n akkertje, al 4000 jaren, sunset glow, hij leunt op de spade. Maar ik zie het wel; hij bijt op z’n lip.

Gezakt

De eerste keer reed ik foutloos. Geen ingreep, goede sfeer. Ik brak de pijl. Te nonchalant. De tweede keer was ik zo zenuwachtig dat ik ‘s morgens niet meer wist naar welke kant de kraan open en dicht ging. Niets technisch, gewoon de waterkraan, ik was nog nooit ergens voor gezakt. Ik dacht de woorden ‘nederlaag’ en ‘onverdraaglijk’. De derde keer mocht ik afrijden op een versneld vastgestelde datum. Ik moest wel, het contract bij mijn yuppenwerkgever was inmiddels verlengd op voorwaarde dat ik dat rijbewijs zou halen.

De datum werd 21 december. Om 07.00 uur. Ik had nog nooit in het donker gereden. Prompt sneeuwde het de lange nacht van 20 op 21 december. ‘s Morgens vroor het een graad of vier. Ik zakte bij de eerste bocht, waar ik een fietser zou hebben aangereden als de examinator ons niet allemaal had gered. Een fietser zonder licht en met de pet over de ogen. Had ik toen maar geweten dat in elk goed kort verhaal een fietser voorkomt, nog wel eentje die wegrijdt en niet dood op straat valt. Dan had ik een leukere dag gehad.

Tachtig

De vierde keer rijd ik af bij daglicht en met een examinator voor speciale gevallen. Hij loodst ons naar een rustige buurt. Afgelegen straten, ik-kan-het-ik-kan-het, een enkele verdwaalde vrachtwagen. Ineens schuift de vrachtwagen vóór ons schuin over straat. Het ziet er anders uit dan rijden, de vrachtwagen schraapt, draait. Hij draait klem tussen geparkeerde auto’s en een paaltje op een vluchtheuvel. Krakende herrie. Ik zwenk er in een impuls omheen, ontsnap over de linker weghelft, belachelijk: zo’n streek van de kosmos, hoe kan ik dan ooit dat rijbewijs halen. Ik zeg nog: “Dit verzin je toch niet?“, maar de man naast me is lijkbleek. Ik ben blij dat ik tachtig lessen heb gehad en ons veilig naar het kantoor terugrijd.

Voorstelling

Na afloop van de voorstelling springt het jongetje op uit de warme kriebelstoel. Hij zag net de eerste voorstelling van zijn leven. Dans. Een lange, nette dans. Maar al zijn klasgenootjes blijven zitten en beginnen te klappen. En zijn juf, naast hem, ook. De mensen in de zaal klappen een enorm applaus bij elkaar. De dansers rennen het toneel weer op, hand-in-hand, ze lachen en buigen. “Wat!”, roept het jongetje, “Zijn het echte mensen?”

Het is een kwestie van tijd… Dan zullen wij fluisteren: “Oh, ik dacht dat het echte mensen waren.”

Kreupel

Ik zag eens een man die kon staan en lopen. Als je tot de bevoorrechten behoort, denk je zelf ook dat je kunt staan en lopen, tot je zo’n man ziet. Het is je meteen duidelijk dat de essentie van het bewegende lichaam je tot nu toe is ontgaan. De man die ik zag, droeg een zwartrode, asymmetrische kimono – misschien iets boeddhistisch – en hij liep een paar passen een boekwinkel in, aan de Warmoesstraat. Hij was één stabiel en stralend staande mens. De winkel heette Himalaya. Je kon er ook zitten en theedrinken, dus ik moest helemaal opstaan, me tussen tafel en stoel uit wringen, met jassengedoe en op hoge hakken. O, al die beweging. Het was een vlucht, kreupel en onwillig, ik had beter kunnen vragen wie hij was.